De Vijf Minuten Galop-Regel in Training

Na een periode van basistraining hebben warmbloedpaarden die op amateurniveau wedstrijden lopen, twee of drie conditietrainingen per week nodig om kracht (en uithoudingsvermogen, als dat nodig is in jouw discipline) op te bouwen, en minstens één training per week om het huidige fitnessniveau te behouden. Conditietraining bestaat uit segmenten met intensief draf- of galopwerk, met een maximum van vijf minuten per segment. Elk segment wordt gevolgd door dezelfde hoeveelheid tijd om te herstellen, bestaand uit soepelheidsoefeningen in stap of rustig stretchen in draf.


We hebben deze regel gebaseerd op een literatuuronderzoek dat we graag met je willen delen in deze blog. Zoals met elke regel, zijn er uitzonderingen. In dit geval is dit onderzocht voor Friese paarden en Quarter Horses (zoals uitgelegd aan het eind van dit artikel). Paarden in training voor hogere wedstrijdniveaus kunnen de galop verhogen tot acht minuten, en we gaan niet in op de training van renpaarden, aangezien volbloeden een andere fysieke reactie hebben op training.

Je training opbouwen

Training bestaat over het algemeen uit vier tot vijf segmenten. Elk segment heeft een andere intensiteit en andere doelen. Het eerste segment is bedoeld om de spieren van het paard op te warmen, en het laatste om ze af te koelen. Je kan hier meer over lezen in latere blogs. De middelste segmenten focussen op doelen voor de discipline en het specifieke niveau. Misschien wil je het paard een nieuwe oefening aanleren, of je wilt zijn reflexen trainen, of zijn kracht opbouwen.

Fitnessniveau verhogen

Het doel van conditietraining is om de spierkracht te verhogen met progressieve belasting. Als een paard tijdens de training zijn anaërobe drempel bereikt (over het algemeen bij een hartslag van ongeveer 180 slagen per minuut), is er niet genoeg zuurstof in de spier om aërobe ademhaling te ondersteunen. Daarom schakelt de spier over naar anaërobe ademhaling om kracht op te wekken, waarbij lactaat wordt geproduceerd. Dit is minder efficiënt. Lactaat is verantwoordelijk voor het beginnen van vermoeidheid bij het paard, en voor spierpijn de volgende dag. Bij springen kan het starten van de anaërobe stofwisseling ervoor zorgen dat het paard fouten maakt in het parcours. Het doel van fitnesstraining is om het paard in staat te stellen een springparcours of een dressuurproef af te maken met gebruik van de aërobe stofwisseling. Wanneer een paard zijn anaërobe drempel bereikt, is afhankelijk van zijn fitnessniveau en de werklast.


Dressuur en springen

Dressuur is een aërobe sport die vooral focus vraagt op de ontwikkeling van kracht in een hele specifieke groep buik- en rugspieren, die verantwoordelijk zijn voor buiging van de wervelkolom. Een Grand Prix proef duurt maximaal acht minuten en wordt uitgevoerd met een relatief lage snelheid (gemiddeld 138 m/min). Om de aërobe capaciteit van het paard te trainen, wordt aangeraden om een hartslag van 160 slagen per minuut niet te overschrijden.


Springen bevat een unieke mengeling van kracht, precisie en snelheid. Zowel aërobe en een kleine hoeveelheid anaërobe stofwisseling zijn betrokken bij het springen van een parcours. De training van een paard voor het springen draait om het verhogen van de aërobe capaciteit en het minimaliseren van de opbouw van lactaat.


Discipline-specifieke training is het beste in veel gevallen. A dressuurpaard heeft sterke buik- en rugspieren nodig.

In haar boek, “Conditioning Sport Horses.”, beveelt Hilary Clayton intervaltraining aan voor paarden die gebruikt worden voor dressuur en springen, te beginnen met twee of drie conditietrainingen per week, die bestaan uit segmenten van drie minuten krachtig galopperen (of draven), gevolgd door dezelfde hoeveelheid tijd in stap. De tijd per segment kan elke twee weken langzaamaan worden verhoogd, tot een maximum van vijf minuten. Wanneer hij dit fitnessniveau heeft bereikt, is het paard klaar voor wedstrijden.


Om paarden te trainen voor een hoger niveau dressuur of springen, zou de training de tijd per segment geleidelijk moeten verhogen tot een maximum van acht minuten. Echter, de werk:rust ratio zou 1:1 moeten blijven. Dus na vijf minuten galop moeten vijf minuten stap (of ontspannen draf) volgen. Binnen een segment zouden discipline-specifieke oefeningen moeten worden uitgevoerd. Voor dressuurpaarden zijn oefeningen die focussen op overgangen en verzameling, ideaal. Voor springpaarden zou de training moeten focussen op tempowisselingen over korte afstanden om reflexen te trainen en wedstrijdsituaties te simuleren. Hoe intensiever een segment wordt, des te langer heeft het paard tussendoor rust nodig.

  • Hoge intensiteit aërobe training (hartslag 160-180 slagen per minuut) vraagt om een 1:2 werk:rust ratio.

  • Hoge intensiteit segmenttraining die de geschatte anaërobe drempel overschrijdt (hartslag 180-200 slagen per minuut) vraagt om een 1:6 werk:rust ratio.

Springen vraagt om een korte krachtsexplosie van hele specifieke spieren.

Het trainen van een springpaard kan het paard bijvoorbeeld in staat stellen te versnellen tot een hoge snelheid voor 50 meter, vertragen, 90º tot 180º te draaien, en dan weer te versnellen. Dit hoge intensiteit segment van werk bestaat uit maximaal vier of vijf versnellingen, gevolgd door een rustinterval van zes keer de lengte van het werksegment.

Eventing

In tegenstelling tot dressuur- en springpaarden, waarvoor kracht belangrijk is, is bij eventing de cardiovasculaire fitheid van het paard vaak de beperkende factor. Cross-countrypaarden kunnen niet enkel afgaan op aërobe stofwisseling. Er wordt een significante bijdrage van energieproductie via de anaërobe stofwisseling vereist. Het kost jaren om de aërobe capaciteit van het eventingpaard te maximaliseren.

Cardio-conditietraining wordt drie keer per week uitgeoefend met twee of drie segmenten van rengalop (een snelle galop van 400-500 meter per minuut), afgewisseld met een rustperiode, waarin het paard gevraagd kan worden om ontspannende, versoepelende oefeningen uit te voeren in stap of draf.


Dit is een voorbeeld van hoe je kunt beginnen met cardiotraining voor eventing. Dezelfde opbouw kan van toepassing zijn op dressuur- of springtraining. In plaats van snelheid te verhogen, wordt de intensiteit van de training verhoogd door disciplinespecifieke oefeningen voor krachtopbouw toe te voegen.


(Bron: Clayton, 1991 "Conditioning sport horses.")


Europese Eventing Kampioenschappen

In voorbereiding voor de Europese Eventing Kampioenschappen (2010, 2011) volgde Dr. Munster tien paarden tijdens hun conditietraining. Drie van de paarden namen uiteindelijk deel aan de kampioenschappen en vijf van hen liepen een blessure op tijdens de trainingsperiode. De paarden die een blessure opliepen hadden een significant hogere maximale hartslag in de training.


Gemiddeld deden de paarden 62 cardio-trainingssessies binnen 12 weken (eens per vijf tot zes dagen). Elke trainingssessie bestond uit tweeënhalve segmenten (soms twee, soms drie). Elk segment had een gemiddelde duur van 5,9 minuten met een maximale hartslag van 193 slagen per minuut.


Reining

Quarter Horses staan bekend om hun vermogen om binnen korte tijd en schijnbaar moeiteloos te versnellen. In een onderzoek naar zeventien Quarter Horses op hoog niveau, zorgden een segment van vijf minuten lope (langzame galop) en één minuut rengalop linksom, gevolgd door vijf minuten lope en één minuut rengalop rechtsom, er niet voor dat de paarden de anaërobe drempel overschreden (hartslag 162 slagen per minuut). Twee sets van twee stops met 80 meter rengalop tussen de stops en één minuut stappen tussen de sets creëerde een iets intensievere workout (hartslag 177 slagen per minuut), maar het bleef nog steeds ruim onder de anaërobische drempel van deze paarden (lactaat 2,7 mmol per liter).

Dit geeft aan dat goed getrainde Quarter Horses makkelijk meer dan tien minuten in een langzame galop kunnen blijven zonder dat het hen moeite kost.

Friese Paarden

Nu we het toch hebben over trainen in galop, is het van waarde om de training van het Friese ras, in het bijzonder, te benoemen. Friezen worden steeds populairder in de dressuur, maar galop is niet hun sterkste gang. In een onderzoek waarin Friese paarden werden vergeleken met warmbloedpaarden, werd aangetoond dat Friezen hun anaërobe drempel veel sneller bereiken dan warmbloeden. Jonge Friezen van drie tot vier jaar oud konden geen vier minuten galopperen zonder hoge lactaatgehaltes te bereiken. Wanneer gevraagd werd om vier minuten te galopperen, verdeeld in vier segmenten van één minuut, konden de paarden een acceptabel lactaatgehalte behouden van minder dan 4 mmol per liter. Dit laatste biedt een goed alternatief om geleidelijk de kracht van een Fries paard in galop op te bouwen.

Bronnen:

  • Bitschnau C., Wiesner T., Trachsel D.S., Auer J. A., Weishauopt M.A., (2010) “Performance parameters and post exercise heart rate recovery in Warmblood sports horses of different performance levels.” Equine vet. J. (2010) 42 (suppl 38) 17-22.

  • Bruin de M.N. Houterman W., Ploeg M., Ducro B., Boshuizen B., Goethals K., Verdegaal E. L., Delesalle C. (2017) “Monitoring training responses in young Friesian horses using two different standardized tests (SETs).” BMC Veterinary Research (2017) 13:49 DOI 10.1186/s12917-017-0969-8

  • Clayton H.M. (1991) ‘Conditioning Sport Horses” Sport Horse Publications 3145 Sandhill road Mason.

  • Munsters C.C.B.M., Broek van den J., Weeren van R., Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan M.M. (2013) “Young Friesian horses show familiar aggregation in fitness response to a seven-week performance test.”

  • Munsters C.C.B.M., Broek van den J., Welling E., Weeren van R., Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan M.M. (2013) “A prospective study on a cohort of horses and ponies selected for participation in the European Championship: reasons for withdrawal and predictive value of fitness tests.”

  • Navas de Solis C., Sampson S.N., McKay T., and Whitfield-Cargile C. (2018) “Standardized exercise testing in 17 reining horses: Musculoskeletal, respiratory, cardiac, and clinicopathological findings.” Equine vet. Educ. (2018) 30 (5) 262-267