Train Beter met een Schema

Na een lange dag werk- of schooldag ga je naar stal. Onderweg bedenk je wat je daar vandaag gaat doen. Het weer is prachtig, dus in eerste instantie denk je misschien aan een bosrit. Aan de andere kant heb je binnenkort een dressuurwedstrijd, dus misschien moet je de proef oefenen? Daarentegen is de buitenbak net klaar, en je zou daar wel in willen springen. Je zou elke dag alles kunnen proberen te doen, maar dat is natuurlijk te veel. Je zou jezelf af kunnen vragen: "Hoe doen professionals het?" "Hoe weten zij wat het beste schema is voor hun paarden, zodat ze wedstrijden winnen en zich goed voelen over zichzelf?"



Hoe vaak zou je moeten rijden?

Hoe fitter je paard, hoe meer je kunt trainen. Daarvoor moet je weten wat het fitnessniveau van je paard is. Het fitnessniveau wordt bepaald aan de hand van je 'normale' hoeveelheid training. Na je training 21 dagen te hebben bijgehouden, rekent de Ipos Technology Trainingsapp de gemiddelde trainingslast om tot een factor: het fitnessniveau van je paard. De App gebruikt een formulie die gebaseerd is op hartslagonderzoek, om de belasting van elke training te berekenen, op basis van het aantal minuten dat je paard in elke gang loopt. Niet iedere gang is even zwaar, dus wegen ze verschillend in de algemene belasting.

Dus, nu we het fitnessniveau (F) van de paard en de belasting/last (L) van de training weten, kunnen we de intensiteit van die training berekenen, relatief aan het fitnessniveau van je paard (de L/F ratio). Dan zul je weten hoe zwaar deze specifieke training was voor je paard. Je kunt deze informatie bijvoorbeeld gebruiken om in te schatten hoe veel rustdagen je paard nodig heeft. Hoe hoger de L/F ratio, hoe meer rustdagen je paard nodig heeft.

Voorbeeld: Als je paard een fitnessniveau van 50 heeft (zie de screenshot hiernaast) en je wilt je training verbeteren, wat is dan de beste volgende stap? Train iets boven het fitnessniveau van je paard, op een intensiteit van ongeveer 50/60. Dit noemen we progressieve belasting. Progressieve belasting betekent dat je geleidelijk de wekelijkse belasting verhoogt om blessures te voorkomen.




Hoe lang zou ik moeten trainen?

Voor jonge paarden is het beter om training geleidelijk op te bouwen en ze genoeg tijd te geven om te herstellen. Zij hebben deze tijd nodig om mentaal en fysiek gewend te raken aan de werklast die van hen wordt verlangd. Je kan beginnen met drie tot vier keer per week een training van 10/15 minuten, en dan wekelijks de belasting van de trainingen met +/- 10% te verhogen, maar niet met meer dan 20%.

Zelfs als een jong paard al wel genoeg spieren heeft, kunnen de pezen nog niet sterk genoeg zijn om een intensieve training van 60 minuten aan te kunnen. Pezen van oudere paarden zijn sterker, dus zij kunnen een langere training volhouden.

Wat zou ik moeten trainen?

Je hebt voldoende afwisseling in de trainingssessies nodig, om ervoor te zorgen dat je paard verschillende spieren op verschillende manieren gebruikt. Als je elke dag met dezelfde routine traint, is het waarschijnlijker dat de spieren van je paard overbelast zullen raken. Dit verhoogt de kans op blessures.

Dit is waarom het bijvoorbeeld goed is voor een dressuurpaard om af en toe een cross-countryles te krijgen, aangezien je paard tijdens een cross-countrytraining andere spieren gebruikt. Hiermee overbelast je niet steeds dezelfde spieren. Ook kan een springpaard voordeel halen uit een lichte dressuurtraining op zijn hersteldagen en vice versa.

TIP: Wil je nog meer afwisseling in je training brengen? Probeer dan eens op verschillende ondergronden te rijden. Dit ontwikkelt proprioceptie; de zintuiglijke input die je paard helpt in balans te blijven.


In principe zijn er twee soorten training: discipline-specifieke training en hersteltraining.

Wat je traint is vooral afhankelijk van je discipline. Discipline-specifieke trainingen zijn intensiever en vragen meer van je paard dan een hersteltraining. Volg een discipline-specifieke training (twee of drie per week) op met één of twee hersteltrainingen, waarin je kunt focussen op flexibiliteit en herstel van de spieren.

Trainingsstructuur

De structuur van je training heeft alles te maken met wat je hierboven al hebt kunnen lezen. Als je je training op wilt bouwen, moet je altijd in gedachten houden dat je maar één trainingskenmerk (Hoe vaak? Hoe lang? Wat train je?) tegelijk kunt verhogen. Kies één van deze drie onderwerpen per keer om je op te richten, en verhoog deze. Als je plotseling alles tegelijk verhoogt, verhoog je daarmee ook de kans op blessures door overtrainen.

Dus, als je elke week drie keer 40 minuten rijdt, en je wilt vaker en langer gaan trainen, train je eerst twee weken vier keer in plaats van drie. Na twee weken kun je ook je training met een paar minuten (+ 10%) verlengen.



Vond je deze blog interessant, maar weet je niet hoe je je eigen trainingsschema moet maken? Ipos Technology's Trainingsapp kan je hierbij helpen.





Samenvatting

Een goed trainingsschema is afhankelijk van:

  • Trainingslast: overtrain je paard niet met te veel of te intensieve training(en).

  • Afwisseling: Wissel af om de kans op blessures te verkleinen.

  • Planning: Planning is de sleutel tot succes.

Neem de punten hierboven in gedachten terwijl je een goed trainingsschema maakt voor jou en je paard. Professionele ruiters en trainers houden deze ook in gedachten. Geen paard is hetzelfde en dus zal geen enkel schema altijd passen. Blijf kijken naar je paard en let op signalen van ongemak, stress of vermoeidheid. Vraag een instructeur om je trainingsschema aan te passen zodat het bij de behoeften van je paard past.

Bronnen:

· Bruin, G., Knaap, J., Smolders, E. A. A., & van der Spek, M. C. (1997a). Training, waar ben ik me bezig? Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen En Paarden, 4–5. Retrieved from https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/332148

· Clayton, H. M. (1991). “Conditioning Sport Horses”. Mason, USA: Sport Horse Publications, p 72-88.

· Dyson, S. (2002). “Lameness and poor performance in the sport horse: Dressage, show jumping and horse trials.” Journal of Equine Veterinary Science, 22(4), 145–150. https://doi.org/10.1016/s0737-0806(02)70139-1

· Gestel, J. L. M., & Hoeksema-Bakker, C. M. C. (1997). Training Van Spierkracht Enspierfunctie 1. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu en van Loghum, p 52.

· Hinchcliff, K. W., Kaneps, A. J., & Geor, R. J. (2008). “Equine Exercise Physiology: The Science of Exercise in the Athletic Horse.“ Philadelphia: Saunders/Elsevier, p 9-10.

· Hodgson, D. R., McGowan, C. M., & Kenneth McKeever, P. D. F. (2013). “The Athletic Horse: Principles and Practice of Equine Sports Medicine (2nd ed.).” Missouri, Verenigde staten: Elsevier Health Sciences.

· Kraemer, W. J., & Fleck, S. J. (2007). “Optimizing Strength Training: Designing Nonlinear Periodization Workouts.” USA: Human Kinetics.

· Lindner, A. (2009). Applied Equine Nutrition and Training: Equine Nutrition and Training Conference (ENUTRACO) 2009. Retrieved from https://www-wageningenacademic-com.has.idm.oclc.org/doi/pdf/10.3920/978-90-8686-669-4?download=true

· McDonnell, S. M., Padalino, B., & Baragli, P. (2018). Proceedings of the 14th International Conference: Equitation Science 150 Years After Caprilli : Theory and Practice, the Full Circle : September 21-24, 2018, Hosted by Regiment “Lanceri Di Montebello,” Roma, Italy. Pisa: Pisa University Press, p 30.

· McLean, A. N., & Christensen, J. W. (2017). “The application of learning theory in horse training.” Applied Animal Behaviour Science, 190, p 018–27. https://doi.org/10.1016/j.applanim.2017.02.020

· van Dam, K. G. (2006). “Training Induced Adaptations in Horse Skeletal Muscle.” datawyse, universitaire Pers Maastricht.